Kunstmatige inseminatie

U bevindt zich hier: Fertiliteit Ľ Kunstmatige inseminatie (IUI, IVF, ICSI)

Algemene informatie betreffende de drie vormen van kunstmatige inseminatie: IUI, IVF en ICSI

Bij een normale vruchtbaarheid (fertiliteit) kunnen zaadcellen tijdens de vruchtbare periode van de vrouw op eigen kracht via het slijm van de baarmoedermond, de baarmoeder en doorgankelijke eileiders, de buikholte bereiken.

Na de eisprong kan ťťn van de vele, inmiddels in de buikholte aanwezige zaadcellen, de eicelschil (zona pellucida) doorboren en deze dan meteen voor andere zaadcellen afsluiten. Hierna zal de bevruchting ( = fertilisatie) plaatsvinden: chromosomen van de zaadcel versmelten met de chromosomen van de eicel.
De bevruchte eicel wordt nu embryo genoemd:

 A .          B .

Dit embryo A . zal in de baarmoeder groeien tot het zogenaamde pre-implantatie embryo B . om te kunnen innestelen in de hiervoor voorbereide baarmoederbinnenbekleding.
Hierna kan het verder groeien tot een voldragen zwangerschap.
Onder normale omstandigheden is de kans hierop ongeveer 20% per maand, afhankelijk van de leeftijd van de vrouw.

Indien zaadcellen de eicel niet kunnen bereiken doordat bijvoorbeeld de zaadcellen  te traag  te  gering in aantal  of doordat de  weg naar de eicel ergens geblokkeerd  is, kan dit mogelijk door een vorm van kunstmatige inseminatie verholpen worden.
(Alleen de vervoersfunctie van de zaadcel word gecorrigeerd of overgenomen)

Er kunnen drie vormen van kunstmatige inseminatie toegepast worden
:

  • Inseminatie van de zaadcellen in de baarmoeder door middel van Intra Uteriene Inseminatie (IUI)
     word toegepast bij:
    -minder goede zaadkwaliteit of
    -moeilijk doorgankelijk slijm van de baarmoedermond.
    -bij gebruik van donorzaad, vers of "gecryopreserveerd" dit is ondergedompeld in vloeibare
     stikstof.
     wij mogen tegenwoordig in Nederland alleen donorzaad van een bekende donor gebruiken.

  • Inseminatie van zaadcellen bij eicellen buiten het lichaam, in een glazen schaaltje (=In Vitro Fertilisatie, IVF), past men toe bij:
    -een slechte zaadkwaliteit of
    -ondoorgankelijkheid van de eileiders of
    -bij verminderde vruchtbaarheid zonder dat een aanwijsbare oorzaak gevonden is.
     Men kan dan onder een microscoop waarnemen of de bevruchting ( = fertilisatie) van de eicel  heeft plaatsgevonden.
    (De kans dat dit lukt is ongeveer 90% en is zeer afhankelijk van de kwaliteit van de eicellen)
    Zie ook informatie van de NVOG: Klik Hier

  • Inseminatie door middel van het prikken van een goede zaadcel door de wand van de eicel (Zona pellucida).
    Ook hier kan men met een microscoop waarnemen of hierna de bevruchting heeft plaatsgevonden.
    (De kans dat dit lukt is ongeveer 95%; de vrouwelijke partners van de "ICSI-paren" hebben meestal goede eicellen)
    De medische term voor deze procedure is Intra Cytoplasmatische Spermatozoa Injectie (ICSI).
    Men komt hiervoor in aanmerking bij zeer ernstige stoornissen van de zaadkwaliteit.
    Zie ook ICSI in beeld    of informatie van de NVOG: Klik hier

** Lees ook hieronder de extra informatie over ICSI en erfelijke afwijkingen bij de man

Bij deze drie vormen van kunstmatige inseminatie zal hierna het proces van de samensmelting van chromosomen, d.i. bevruchting of fertilisatie vanzelf moeten plaatsvinden.
Hierna zal het embryo in de baarmoeder gebracht dienen te worden:
-bij IUI gebeurt dit vanzelf door een van de eileiders
-bij IVF en ICSI gebeurt dit door het embryo (maximaal twee) met behulp van een dun slangetje via de baarmoedermond in de baarmoeder te plaatsen.

Vervolgens zal dit embryo moeten innestelen, waarna het kan uitgroeien tot een baby.
(Ongeveer 20- 25% kans per behandeling).

Een IUI-, IVF- of ICSI-behandeling heeft alleen zin als de spontane kans op zwangerschap afwezig, of beduidend kleiner is, dan de kans op zwangerschap bij een IUI-, IVF- of ICSI-behandeling.

** Extra informatie over ICSI en erfelijke afwijkingen bij de man

Er is wat discussie ontstaan over de kans dat een jongen die verwekt is via ICSI (omdat vader slecht sperma had) zelf ook verminderd vruchtbaar zal worden. Vragen hierover zijn lastig te beantwoorden daar de oudste jongens die op deze wijze zijn verwekt nog geen 10 jaar oud zijn en wij niet alle (genetische) oorzaken van verminderde vruchtbaarheid bij de man kennen. Een aantal zaken weten wij wel. Deze zal ik hieronder proberen uiteen te zetten.

Bij slechts een deel van de mannen met slecht sperma kunnen wij een genetische afwijkingen vinden. De vuistregel is: hoe slechter het sperma, hoe groter de kans dat je een genetische afwijking vindt. Indien er in het geheel geen of slechts enkele zaadcellen in het sperma te vinden zijn (azoŲspermie/ernstige oligozoŲspermie) is de kans op een genetische afwijking bij de man ongeveer 10-25% . Het is in theorie mogelijk dat er nog meer genetische afwijkingen bestaan waarvan wij het bestaan (nog) niet kennen. Indien bij de man geen of slechts enkele zaadcellen gevonden worden dient dus genetisch onderzoek plaats te vinden. Indien dan geen afwijkingen worden gevonden achten wij de kans relatief kliein dat een zoon later onvruchtbaar zal worden. Daarbij dient direct te worden aangemerkt dat niemand precies weet hoe deze kansen liggen.

Uitgebreid onderzoek naar specifieke genen die onvruchtbaarheid bij de man veroorzaken heeft de laatste tijd niet veel opgeleverd. Mogelijk heeft aan aantal van deze mannen een ongelukkige combinatie van genen die de onvruchtbaarheid veroorzaakt. De kans dat zo'n combinatie van genen in zijn geheel wordt doorgegeven aan een zoon is gering. Daarnaast zal bij een aanzienlijk aantal mannen een niet-genetische oorzaak voor de onvruchtbaarheid bestaan. Hierbij is de kans dat een zoon onvruchtbaar wordt dus zeer klein. Anders is het als er daadwerkelijk een genetische afwijking bij de man wordt gevonden (nu komt wat technische taal die u eventueel met uw arts kan bespreken): Bij een AZFa, AZFb of een AZFc deletie gaan wij er van uit dat een zoon 100% kans heeft op het krijgen van vruchtbaarheidsproblemen. Dochters zijn nooit aangedaan, daar deze gebieden op het Y chromosoom liggen. Bij een chromosomale afwijking zal het type afwijking de kans op aangeboren afwijkingen bepalen. Hierbij kunnen behalve vruchtbaarheidsproblemen ook andere aangeboren afwijkingen voorkomen. Een gesprek met een klinisch geneticus is bij dit soort problemen zeer verstandig.

Bij een CFTR gen mutatie (taaislijmziekte.cystic fibrosis) is er een vruchtbaarheidsprobleem vanwege blokkade van de zaadleiders. Indien de vrouwelijke partner ook draagster is van deze genetische afwijking zal een kind in theorie maximaal een 50% kans hebben op het ontwikkelen van taaislijm ziekte.

Het is dus geen eenvoudige kwestie. Van belang is dat u het een en ander met uw gynaecoloog of androloog doorspreekt. Het is ook altijd mogelijk een afspraak bij een klinisch geneticus te maken.

Zie ook:Klik Hier (informatie van de NVOG: Ned. Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie) -->

U bevindt zich hier: Fertiliteit Ľ Kunstmatige inseminatie (IUI, IVF, ICSI)
Print deze pagina uit Print deze pagina
Voeg Fertiliteit.info toe aan je favorieten! Favorieten
INTERVIEW

Verhoging IVF slagingskans

Interview met gynaecoloog Van Santbrink over een nieuwe ontwikkeling ter verhoging van de IVF slagingskans.

Lees het interview

Fertiliteitsmedicatie per 2014

De overheid heeft bepaald dat per 1 januari 2014 de verstrekking van een aantal geneesmiddelen aan patiŽnten voortaan door het ziekenhuis moet worden geregeld.
Lees hier wat deze verandering voor u betekent..

Bron: Freya.nl

(advertenties)