Wijze van gebruik
Volg bij gebruik van Ovitrelle nauwgezet het advies van uw arts. Raadpleeg bij twijfel uw arts of apotheker. De gebruikelijke dosering van Ovitrelle is 1 injectieflacon (250 microgram) als eenmalige injectie. Uw arts heeft u precies uitgelegd wanneer de injectie toegediend moet worden. Ovitrelle is bedoeld voor onderhuids gebruik, wat betekent dat het wordt toegediend middels onderhuidse injectie. Elke injectieflacon is voor eenmalig gebruik. Soms zal de injectie worden gegeven door uw arts of verpleegkundige, ook u of uw partner kan geleerd worden de injectie thuis te geven.
Leest u de volgende instructie zorgvuldig door wanneer u zichzelf injecteert met Ovitrelle:
1. Was uw handen. Het is van groot belang dat uw handen en de benodigde materialen zo schoon mogelijk zijn.
2. Verzamel alle benodigdheden. N.B.: Alcoholdoekjes, injectiespuiten en naalden worden niet bijgeleverd. Zoek een schone plek en leg alles zorgvuldig neer:
- twee alcoholdoekjes
- één ampul oplosmiddel
- één injectieflacon met het geneesmiddel
- één injectiespuit
- één grote naald om de oplossing klaar te maken
- één kleine naald voor de onderhuidse injectie
3. Het openen van de ampul met het oplosmiddel:
Op de bovenkant van de ampul ziet u een kleine gekleurde stip. Direct daaronder bevindt zich de plek waar de verdunning van de ampul is voorbehandeld, zodat hij gemakkelijk afbreekt. Tik eerst zachtjes tegen het bovenstuk zodat zich hierin bevindende vloeistof naar beneden zakt. Breek nu de ampul op de plaats van de hals, waarbij u het bovenstuk van de stip af beweegt. Plaats de geopende ampul voorzichtig rechtop op het werkblad.
4. Het opzuigen van het oplosmiddel:
Zet de opzuignaald op de injectiespuit, neem de spuit in één hand, neem de geopende ampul in de andere hand, steek de naald erin en zuig tenslotte alle oplosmiddel op. Leg de injectiespuit vervolgens voorzichtig neer op het werkblad waarbij u erop let dat de naald nergens mee in aanraking komt.
5. Het bereiden van de injectieoplossing:
Verwijder het beschermkapje van de injectieflacon met Ovitrelle poeder, pak de injectiespuit en spuit het oplosmiddel langzaam in de injectieflacon Ovitrelle. Rustig omzwenken. Niet schudden. Het poeder moet onmiddellijk oplossen tot een heldere oplossing.
Houd de injectieflacon ondersteboven en zuig de oplossing rustig terug in de injectiespuit.
6. Injectie:
Vervang de opzuignaald door de kleine injectienaald en verwijder eventuele luchtbelletjes: wanneer u luchtbelletjes ziet in de injectiespuit, houdt u hem dan met de naald naar boven en tik zachtjes tegen de spuit totdat alle lucht zich bovenin verzameld heeft. Duw de plunjer zachtjes in totdat alle lucht verdwenen is.
Ga direct door met de injectie: Uw arts of verpleegkundige zal u hebben verteld op welke plek u moet injecteren (bijvoorbeeld uw buik of de voorkant van uw dij). Veeg de gekozen plaats schoon met een alcoholdoekje. Neem een huidplooi stevig vast en breng de naald in onder een hoek van 45° tot 90° met een beweging alsof u een pijltje gooit. Injecteer onderhuids zoals u is geleerd. Spuit niet in een ader. Spuit de oplossing in door zachtjes op de plunjer te duwen. Neem alle tijd om alle oplossing in te spuiten. Trek de naald direct terug en maak de huid schoon met een alcoholdoekje met een cirkelvormige beweging.
7. Gooi alle gebruikte materialen weg:
Als u klaar bent met injecteren, dient u direct alle naalden en lege ampullen en injectieflacons in een container voor naalden en glas te werpen. Enig overgebleven oplossing moet worden weggegooid.